Onder binnenkomen en uitgaan wordt mede verstaan het binnen het grondgebied van Nederland komen uit België of Luxemburg, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland naar België of Luxemburg.
Art. 58.
1. Hij die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een wapen of munitie van de categorieën I of II onder zich heeft, is verplicht deze bij de korpschef in te leveren. Artikel 8, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een wapen dat valt onder een bij of krachtens deze wet vastgestelde vrijstelling. Het is evenmin van toepassing op een wapen en de daarbij behorende munitie waarvoor binnen een maand na inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 4, eerste lid, een ontheffing is verzocht tot het moment waarop hierover is beslist.
Art. 59.
1. Hij die aantoont dat hij op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een wapen van categorie III onder zich had, waarop de Vuurwapenwet 1919 (Stb. 1919, 310) niet van toepassing was, en binnen twee maanden na inwerkingtreding van deze wet een verlof tot het voorhanden hebben van dit wapen bij de korpschef heeft aangevraagd, heeft van rechtswege een voorlopig verlof tot het voorhanden hebben van dit wapen en de daarbij behorende munitie totdat op zijn aanvraag is beslist.
2. Indien op de aanvraag afwijzend wordt beschikt, is degene die het wapen onder zich heeft, verplicht dit en de daarbij behorende munitie in te leveren bij de korpschef. Artikel 8, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 60.
Machtigingen, geleidebiljetten, consenten en bonnen, afgegeven op grond van de wet van 9 mei 1890, Stb. 81, houdende verbodsbepalingen tegen het dragen van wapenen, of de Vuurwapenwet 1919, alsmede ontheffingen, afgegeven op grond van de Wet tot wering van ongewenste handwapenen (Stb. 1965, 141), worden voor de duur van hun geldigheid, tot daarover nader zal zijn beslist of tot uiterlijk twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige wet, geacht erkenningen, consenten, vergunningen, verloven of ontheffingen op grond van de onderhavige wet te zijn.
Art. 61.
1. De op 9 december 1970 te Brussel tot stand gekomen Benelux-Overeenkomst inzake wapens en munitie, met Bijlage, waarvan de Nederlandse en de Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 1971, 41, wordt goedgekeurd voor Nederland.
2. Ter uitvoering van beschikkingen, vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van de in het eerste lid genoemde Overeenkomst, kunnen Wij bij algemene maatregel van bestuur de categorieën van artikel 2 van de onderhavige wet aanvullen en wijzigen.
Art. 62.
1. De wet van 9 mei 1890, Stb. 81, de Vuurwapenwet 1919 en de Wet tot wering van ongewenste handwapenen worden ingetrokken.
2. Artikel 17 van de Jachtwet (Stb. 1954, 523) vervalt.
Art. 63.
In artikel 67, eerste lid onder d, van het Wetboek van Strafvordering wordt de punt na ,,Opiumwet” vervangen door een puntkomma; toegevoegd wordt: artikel 31, eerste lid en tweede lid, van de Wet wapens en munitie.
Art. 64.
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 16, tweede lid, 20, tweede lid, 23, tweede lid, 27, tweede lid, 31, tweede lid, 32, tweede lid en 61, tweede lid, in werking op het tijdstip waarop de in artikel 61, eerste lid, bedoelde Overeenkomst in werking treedt.
3. Artikel 57 vervalt op het in het vorige lid bedoelde tijdstip.
Art. 65.
Deze wet kan worden aangehaald als Wet wapens en munitie, afgekort WWM.